Geschiedenis van Blijdorp= 1990-1995 (Henri ’t Martinhuis)

Het gebouw bestond uit twee afdelingen. De ene afdeling bestond uit een ruime, lichte, centrale hal waaromheen de apenverblijven gegroepeerd waren. De hier gehuisveste apen waren tropische dieren en men vond dat deze licht en groen gehuisvest moesten worden. In de verblijven kon men geen beplanting aanbrengen, want die zou door de apen vernield worden. Daarom werd boven op de binnenverblijven en midden in de hal beplanting aangebracht. De hele hal was zeer licht door een glasgevel boven in het gebouw. Aan de zuidkant van het gebouw waren drie grote binnenverblijven verbonden met drie even grote buitenverblijven. De westzijde had zeven kleinere binnenverblijven met een buitenverblijf. Op de zuidwesthoek was een middelgroot binnenverblijf met een groot buitenverblijf voor de gibbons. 

De andere afdeling van het gebouw, het nachtdierenverblijf, was te bereiken via een dubbele doorgang vanuit het apenverblijf. De entree was zodanig gedecoreerd, dat men de indruk kreeg een donkere oerwoudtunnel te betreden. Het nachtdierenverblijf bevatte elf verblijven, van elkaar en het publiek gescheiden door glas. Boven het nachtdierenverblijf waren isolatieruimten, waarin dieren geobserveerd konden worden. In het nachtdierendeel heerste een omgekeerd dag-nacht ritme: ’s morgens wordt het schemerig en ’s avonds wordt het licht. 

Onder de bewoners waren onder andere:

  • Gibbons
  • Mustlangoeren
  • Vari’s
  • Slanke lori’s

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *