Zuid-Amerika!

Zuid-Amerika is op sommige vlakken zeer gemiddeld: qua oppervlakte is het een middelgroot continent en het bevolkingsaantal is relatief laag. Echter, wie het af durft te doen als een saai werelddeel, heeft klaarblijkelijk niet omgekeken naar de natuur: Zuid-Amerika is ecologisch gezien het meest diverse segment van planeet Aarde. Langs de westkust vind je het Andesgebergte, die op zijn beurt de gortdroge Atacamawoestijn creëert in zijn westelijke regenschaduw. Het zuidelijkste punt van het continent wordt gekenmerkt door de schrale steppe van Patagonië, met ten noorden daarvan de welbekende Argentijnse graslanden van de Pampa en de semi-beboste Gran Chaco. De Braziliaanse oostkust was van origine de zetel van het Atlantisch Woud, met verder landinwaarts de Cerrado, een tropische savanne, en omstreeks de meest oostelijke punt van Zuid-Amerika de Caatinga-woestijn. Toch valt dit alles in het niet vergeleken met het dunbevolkte westen van Brazilië, het Guyanaschild en de bekken van de Orinoco. Geen enkel ander landoppervlak heeft een hogere biodiversiteit: dit is het Amazonewoud, even groot als alle andere jungles op de planeet tezamen.

Het Zuid-Amerikaanse themagebied van Diergaarde Blijdorp is relatief jong. Hoewel soorten van dit continent al decennia lang verspreid door het park gehouden werden, deed zich de eerste echte mogelijkheid tot het creëren van een volwaardige biotoop zich pas voor toen Diergaarde Blijdorp in 2001 het Oceanium opende. Een buitengewoon feestelijke gelegenheid die door het hele land de aandacht trok, maar voordat je het als bezoeker in levenden lijve kon aanschouwen, moest je eerst het kale uitbreidingsgebied van de dierentuin oversteken… Een picknickveldje ten zuiden van het pad werd al snel in het leven geroepen en je zou kunnen stellen dat het buitenverblijf van de reuzenschildpadden een pril begin was, maar de eerste échte Zuid-Amerikanen waren de manenwolven die in 2002 op kosten van de Vrienden van Blijdorp een heenkomen kregen naast de schildpaddenkas. In 2003 volgde de transformatie van het picknickveld tot Andes-weide en nog voor het einde van het decennium waren meer verblijven een feit. De biotoop mag dan wel ietsjes geslonken zijn door het verdwijnen van de manenwolven, maar dat wordt zeker overschaduwd door de bekroning van Zuid-Amerika in 2015: vlinderkoepel Amazonica.

De Andes

Foto: Patty Kloosterman (BB-Facebook). Vicuña’s.

Voorafgaand aan de allesvernietigende komst van de Europeanen werd de Andes geregeerd door het Incarijk: een imperium dat qua formaat en ontwikkelingsniveau niet onderdeed voor het oude Rome. Best een prestatie, als je je bedenkt hoe ongastvrij dit hooggebergte wel niet is. De boomgrens ligt er doorgaans rond de 3.200 meter boven zeeniveau en de eeuwige sneeuw begint boven de 4.800 meter. Ertussen ligt de páramo, een strook waar hoofdzakelijk korte grassen en kruiden groeien. Hier houdt de vicuña stand: een van de twee wilde kameelachtigen van de Nieuwe Wereld. Al duizenden jaren geleden begonnen Zuid-Amerikaanse volkeren met het selectief fokken van vicuña’s, om dieren met een zo dik mogelijke vacht te produceren: deze gedomesticeerde vicuña’s zijn de vele malen bekendere alpaca’s geworden. De lama is ook een gedomesticeerde kameelachtige, maar deze stamt af van de andere wilde Amerikaanse kameelachtige: de guanaco. Ten tijde van de Inca-heerschappij genoot de vicuña een beschermde status: alleen de koninklijke familie mocht hun wol dragen. Na de Spaanse verovering viel deze bescherming weg en begon hun populatiegrootte terug te lopen, tot slechts een paar duizend dieren in de jaren ’60 van de vorige eeuw. Dankzij het indammen van de wolhandel is deze neerwaartse spiraal gelukkig sindsdien doorbroken en tegenwoordig is het goed gesteld met de soort.

Foto: Dinie Smit (BB-Facebook). Darwins nandoe.

De vicuña’s delen hun weide met de Darwins nandoe: een loopvogel uit Patagonië en hoogvlaktes van de Andes. Hoewel ze eigenlijk al eerder wetenschappelijk beschreven waren, stuurde Charles Darwin tijdens zijn reis rond Zuid-Amerika een (deels opgegeten) exemplaar op naar ornitholoog John Gould. Gould bevestigde dat deze nandoe inderdaad van een andere soort was dan de grotere nandoes die verder naar het noorden leefden. Zoals ook bij Darwins latere onderzoek naar reuzenschildpadden en vinken op de Galapagoseilanden het geval was, lieten de talrijke overeenkomsten tussen de twee nandoesoorten hem echter niet los. Gezamenlijk vormden deze soorten de inspiratie voor het boek On the Origin of Species, waarin Darwin evolutie middels natuurlijke selectie opperde. Vandaar de vernoeming. Terug naar de nandoes zelf: van nature vormen ze vrij grote gemengde groepen, maar tijdens het broedseizoen vallen die uiteen. De mannetjes proberen dan zoveel mogelijk vrouwtjes naar één plek te lokken met kreten, vleugel-gewapper en nekbewegingen. Als ze onder de indruk zijn, leggen de dames later hun eieren in één groot nest, waar de man des huizes vervolgens op mag gaan zitten voor ruim een maand. De vrouwtjes herhalen dit bij meerdere mannetjes en soms sticht ook de heer een tweede nest, door een onderdanig mannetje het broedwerk te laten doen bij zijn eerste leg. Sommige eieren worden doelbewust buiten het nest gehouden, waar deze rotten en zodoende vliegen aantrekken – een handige voedingsbron voor de man en later ook de kuikens.

Foto: Dinie Smit (BB-Facebook). Huiscavia’s.

Het vicuña-perk deelt zijn helling met nog enkele verblijven, allen gerealiseerd dankzij een donatie van de vereniging Vrienden van Blijdorp. Ten eerste zijn hier enkele bekende knaagdiertjes te vinden: de cavia’s. Ja, er bestaan ook cavia’s buiten dierenwinkels – sterker nog, in vrijwel heel Zuid-Amerika komen ze voor. Afhankelijk van wie je het vraagt, zijn er tussen de vijf en tien wilde caviasoorten. Dat, en er is de gedomesticeerde huiscavia: een aparte diersoort die zo’n 7.000 jaar geleden door de mensheid voortgebracht werd, een paar duizend jaar na de vergelijkbare ‘geboorte’ van de alpaca. Tot op de dag van vandaag zijn cavia’s een belangrijke voedselbron voor mensen in de Andes, maar het recreatief zorgen voor de diertjes is net zo goed een oeroude traditie die de Europeanen 500 jaar geleden overnamen. Cavia’s zijn sociale dieren die van nature harems vormen, waarbij de onderlinge banden versterkt worden door het verzorgen van elkaars vacht. Ze zijn zeer vocaal en kunnen zo allerlei signalen doorgeven aan hun soortgenoten, met als meest bekende geluid natuurlijk hun luide en herhaaldelijke ‘whiep’: een teken van vreugde dat ook wel gebruikt wordt als de cavia zijn kuddegenoten (of zijn baasje) zoekt. In Blijdorp zijn er twee caviasoorten te vinden: de huiscavia, te herkennen aan hun excentrieke vachtpatronen en kapsels, en de moerascavia’s uit Uruguay, die met hun zwemvliesjes en donkere vacht veel beter voorbereid zijn op het trotseren van de natuur.

De laatste bergbewoner is de Chileense poedoe, een hertje wiens naam al millennia in gebruik is. Met hun schofthoogte van zo’n 40 centimeter, hun roodbruine vacht en hun kleine, onvertakte gewei zou je ze op het eerste gezicht kunnen verwarren met een dwerggeit, maar een poedoe zal je nooit zelfverzekerd over rotsen zien huppen. Deze hertensoort leeft op begroeide berghellingen, nooit hoger dan 2.000 meter boven zeeniveau: nog ruim onder de boomgrens dus. Hun gedrongen postuur is vermoedelijk ook het directe gevolg van hun beboste leefomgeving: voor kleine dieren is het makkelijker om door bosjes heen te stappen of om tussen bomen te zigzaggen. Poedoes doen daar nog een schepje bovenop door kleine ‘tunnels’ te creëren in de vegetatie als noodroutes, waar ook andere dieren dankbaar gebruik van maken. Toch blijft ‘liever voorkomen dan genezen’ het devies bij poedoes, want hun formaat maakt hen een verleidelijke snack voor roofdieren uiteenlopend van poema’s tot uilen. Daarom beweegt het dier bij voorkeur langzaam, stilletjes en rondom de schemering. Ook wanneer ze op zoek zijn naar eten stoppen ze regelmatig met bewegen. Wanneer ze dan stokstijf stilstaan om hun omgeving te analyseren, gaan ze even compleet op in de omgeving.

Foto: Cor de Gier (BB-Facebook). Chileense poedoe.

Una paloma blanca…

Foto: Josien de Vries (BB-Facebook). Rode ibis.

Tegenover het poedoeverblijf vinden enige gevleugelde Zuid-Amerikanen hun heenkomen. Het in 2007 gebouwde volièrecomplex is in twee helften opgedeeld. Bij binnenkomst bevind je je in een moerasgebied, waar vele wadende vogelsoorten postvatten. De meest prominente aanwezigheid is de rode ibis. Het is een sociale vogelsoort die in het wild in grote groepen voorkomt langs de gehele noordelijke kust van Zuid-Amerika en op de Antillen. Een bijzonderheid is een populatie in zuidelijk Brazilië, in het Santos-Cubatão mangrovegebied, op 2.000 kilometer van hun soortgenoten. De hoogste concentratie rode ibissen is overigens te vinden op de Los Llanos grasvlakte in Venezuela, een biotoop die ingeklemd zit tussen het noordelijke uiteinde van de Andes en de Amazone. Net als maar liefst zes andere ibis-types gedijen ze hier doordat grote delen van de graslanden in de regentijd veranderen in moerassen. Voor de ibissen is het de perfecte setting om te jagen op de roodgekleurde garnalen die hen hun kleur geven, al bestaat het grootste deel van hun dieet eigenlijk uit kevers.

Foto: Cor de Gier (BB-Facebook). Kuifhoenderkoet.

De rode ibissen hebben gezelschap van diverse vogelsoorten. De kuifhoenderkoeten springen al snel in het oog. De habitat van deze grote vogel lijkt sprekend op die van de rode ibis, maar is wel gesitueerd in een heel ander deel van Zuid-Amerika: het betreft de Pantanal, rondom het drielandenpunt van Brazilië, Paraguay en Bolivia. De Pantanal is, met een oppervlakte van ruimschots 150.000 km2, het grootste drasland ter wereld. Tijdens de regentijd overstroomt tot wel 80% ervan. Het is een van de weinige landbiotopen die de strijd met regenwouden kan aangaan voor de titel ‘hoogste biodiversiteit’. De kuifhoenderkoet wordt zo’n 90 centimeter groot en is niet bepaald mensenschuw, maar gelukkig bekommeren ze zich vooral om granen, wortels en ander plantaardig materiaal. Ook eenden zijn vertegenwoordigd in de volière. Zo is er is de Bahamapijlstaart, te herkennen aan het rode vlak op zijn snavel en zijn verder vrij sombere verenkleed, die voorkomt langs grote delen van de Zuid-Amerikaanse kust, alsmede het Noord-Argentijnse binnenland. Ook kun je de roodschoudertaling spotten, herkenbaar aan zijn rossige vleugels en grijze buik, afkomstig uit de de semi-beboste Gran Chaco-regio rondom het drielandenpunt van Bolivia, Paraguay en Argentinië.

Foto: Johanna Kok (BB-Facebook). Hyacinthara.

De tweede volière is nog een slag groter en wordt gedomineerd door de hyacinthara’s. Deze grote papegaaien, herkenbaar aan hun diepblauwe veren, hebben een ongelofelijk sterke snavel waarmee ze zonder moeite paranoten, macadamianoten en zelfs kokosnoten kunnen openbreken. Sommige noten op hun menu zijn zó hard dat het voor het zelfs voor een mens met een hamer een lastige taak zou zijn om ze te kraken. Toch kan zelfs de hyacinthara niet altijd uitsluitend vertrouwen op zijn brute kracht: de acuri-noot in het bijzonder is zo taai dat de ara eerst moet wachten tot de buitenste laag verteerd is door een grote grazer, voordat ze zich wagen aan de pit aan de binnenkant. Ook is al sinds de 19e eeuw bekend dat hyacinthara’s soms ruwe bladeren en stokken gebruiken als gereedschap. Noten zijn voedzame aanvullingen op hun dieet dat voor de rest vooral draait om fruit, zaadjes en groenvoer. Net als veel andere papegaaien kunnen hyacinthara’s veel verschillende geluiden maken en nadoen, wat ook zeker een rol speelt bij het vormen van hun levenslange relaties. Niet alleen in hun partnerkeuze zijn ze vrij kieskeurig, maar ook wat nestlocaties betreft hebben ze een sterke voorkeur voor uitgeholde manduvibomen. Om deze reden heeft deze soort een bijzondere haat-liefderelatie met de reuzentoekan: die vogelsoort is namelijk verreweg de meest belangrijkste zaadverspreider van de manduviboom, maar is tegelijkertijd de voornaamste schuldige voor het verdwijnen van ara-eieren… Hoewel de hyacinthara vroeger waarschijnlijk in de gehele oostelijke rand van het Amazonewoud voorkwam, bestaan er tegenwoordig nog drie populaties: eentje in de Pantanal, eentje op de Cerrado-halfsavanne ten noorden van Brasilia en eentje rondom de riviermonding van de Amazone. Vanwege het verdwijnen van hun habitat en de nog altijd vrij grootschalige vangst voor de huisdierenindustrie is de hyacinthara als kwetsbaar opgenomen op de Rode Lijst. Het Europese fokprogramma, waaraan zo’n negentig dierentuinen meedoen, wordt gecoördineerd in Wallonië en ook Blijdorp heeft de laatste jaren een aantal keer fokresultaat geboekt.

Foto: Rob van Eijk (BB-Facebook). Kuifseriema.

De hyacinthara’s krijgen in het najaar vaak gezelschap van de geelvleugel-, soldaten-, groengele en blauwgele ara’s die meedoen aan de Vrije Vlucht Voorstellingen. Dat zijn echter niet de enige onderhuurders: de grootste daarvan is de kuifseriema. Zijn lange poten stellen deze hoofdzakelijk grondbewonende vogel in het wild in staat om over lang gras te kijken. Van nature komen ze dan ook uitsluitend in die habitat voor: zij het op de pampa’s, de Gran Chaco, de Cerrado of de Caatinga. Ze jagen onder andere op slangen, die ze doden door ze tegen de grond te slaan. Ze leven meestal in trouwe koppeltjes, die ’s ochtends met veel geschreeuw hun territorium markeren. Spot daarnaast ook de witwangfluiteenden. Hun verspreidingsgebied is opmerkelijk: niet alleen komen ze voor in Zuid-Amerika, maar ook in Sub-Sahara Afrika. Een verklaring hiervoor is er nog niet echt: mogelijk heeft een groepje eens abusievelijk de Atlantische Oceaan overgestoken, of wellicht heeft de mens er wat mee te maken gehad. De witwangfluiteend voelt zich het meest op zijn gemak in draslanden met afwisselende vegetatie en vermijdt om die reden het dichtbegroeide hart van het Amazonegebied. De monogame koppeltjes die bij deze soort gevormd worden, nestelen en foerageren het liefst in overzichtelijke moerassen met lagere beplanting. Echter, als het broeden afgelopen is, verliezen de volwassen voor enkele weken hun vermogen om te vliegen doordat ze hevig beginnen te ruien. Deze kwetsbare periode brengen ze daarom het liefst verborgen tussen het groen door.

Foto: Leo Brentjes (BB-Facebook). Witwangfluiteenden.

Amazonica: het butterfly effect

Foto: Jim Louwerens (BB-Facebook)

De onbetwiste parel van het Zuid-Amerikaanse themagebied is vlinderkoepel Amazonica: met een oppervlakte van 2.500 vierkante meter is het de grootste van zijn soort in Europa. De ingang van dit jubileumgeschenk van de vereniging Vrienden van Blijdorp is te vinden bij een Latijns-Amerikaans plein met verschillende bezoekersfaciliteiten: baños, un parque infantil y un restaurante. De dubbele schuifdeuren houden de hitte én de vrij vliegende insecten binnen en in die tussenruimte is ook een brillenwarmer aanwezig om condensatie tegen te gaan. Pas op met camera’s: er kunnen waterdruppeltjes je lens in sijpelen, dus laat die gewoon rustig wennen aan de tropische temperatuur binnen terwijl je je onderdompelt in een adembenemende exotische ervaring. Belangrijk: pak de vlinders niet beet! Vrijwel altijd leidt dat tot dodelijke verwondingen. Laat hun eten ook gewoon liggen op de tafeltjes. Als de vlinder op je wil zitten, doet hij dat wel uit zichzelf.

Foto: Elly van Lelieveld-Smid‎ (BB-Facebook)

Het Amazonewoud is even groot als alle regenwouden in Afrika en Azië samen: logischerwijs is dit ecosysteem van onschatbare waarde voor mens en natuur. De Amazone heeft ook nog eens een hogere biodiversiteit dan iedere andere landbiotoop: een tiende van alle plant- en diersoorten ter wereld komt uit dit oerwoud, en dat is nog een terughoudende schatting. Het klimaat rondom de evenaar is enorm bevorderlijk voor de weelderige begroeiing: de temperatuur zakt er bijna nooit onder de 20 °C en de zon schijnt er 365 dagen per jaar. De beplanting verkeert dan ook in een eeuwige wedloop richting het licht: sommige bamboesoorten, de recordhouders, kunnen bijna een meter per dag groeien onder deze optimale omstandigheden. Zo snel de hoogte in gaan is van belang, want langzame groeiers dreigen in de schaduw van hun buren te verdwijnen. Dankzij het broeierige weer ontbindt organisch materiaal op de grond hier vele malen sneller dan op hogere breedtegraden en de hierbij vrijkomende voedingsstoffen worden vrijwel direct weer opgenomen door de hongerige wortels van de rap groeiende vegetatie, waardoor deze botanische race nóg sneller verloopt.

Foto: Sabine Buchholz (BB-Facebook). Ook de grote hoeveelheid bestuivende insecten in de Amazone, zoals deze kleine passiebloemvinder, is bevorderlijk voor de plantengroei.

Dat gezegd hebbende, niet álle mineralen worden weer direct opgenomen door het systeem. De ervaring leert dat het stofje fosfor in het specifiek grotendeels weggespoeld wordt door regenwater, nog voordat plantenwortels de kans krijgen om zich er te goed aan te doen. Gelukkig voor de Amazone is er een andere bron van verse fosfor: zandstormen in de Sahara, in Noord-Afrika, voeren enorme hoeveelheden ervan mee in hun stof. Ieder jaar bereikt 180 miljoen ton opgezweept zand de westkust van dat continent, waarna de warme woestijnwinden onder andere de Canarische Eilanden passeren in fenomeen dat ter plekke een calima wordt genoemd. Terwijl het zand de Atlantische Oceaan oversteekt, meegevoerd door de passaatwinden, koelt de lucht af en een deel van het zand stort neer in de zee. Toch bereikt jaarlijks 130 miljoen ton fosfor-bevattend stof Zuid-Amerika, waardoor het groeien en bloeien van de flora mogelijk wordt gemaakt. Sterker nog: toen de Sahara 10.000 jaar geleden een vochtige periode meemaakte waardoor zandduinen moesten wijken voor graslanden in Noord-Afrika, kromp het Amazonewoud significant. Heden ten dage doet het dat ook, maar om een andere reden…

Foto: Cor de Gier (BB-Facebook)

Anno 2019 is 19,5% van de Amazone volledig gekapt, waar nog eens een grote semi-aangetaste zone bovenop komt. Van de 800.000 km2 aan regenwoud die sinds 1970 vernietigd is, wordt 90% van de grond tegenwoordig gebruikt als weiland voor de veeteelt. De voornaamste aandeelhouder van die resterende 10% is de kweek van soja, wat hoofdzakelijk gebeurt voor het maken van veevoer. Brazilië is niet voor niets een van de grootste rundvleesexporteurs ter wereld, terwijl de Verenigde Staten, China en de Europese Unie goed zijn voor ongeveer de helft van de jaarlijkse mondiale beef-consumptie. Omstreeks 2004 bereikte het ontbossingstempo een hoogtepunt, met de teloorgang van bijna 30.000 km2 oerwoud dat jaar: ongeveer een België aan natuur. Sindsdien verdwijnt er ieder jaar steeds iets minder regenwoud dan in het jaar daarvoor, al kan gesteld worden dat het sinds 2015 weer de verkeerde kant opgaat. Hoewel het ontbossingstempo tussen 2010 en 2014 daalde van 7.000 km2 kilometer per jaar naar 5.000 km2 per jaar, wordt (op moment van schrijven) verwacht dat er in 2020 meer dan 15.000 km2 aan Amazone zal verdwijnen. Dat is niet alleen meer dan de 10.000 km2 van 2019, toen bosbranden voor internationale protesten zorgden, maar zo’n slecht jaar is er sinds 2005 überhaupt niet meer geweest. Een van de redenen voor deze escalatie is dat ontbossing een vicieuze cirkel is…

Foto: Rene Klis (BB-Facebook). Malachietvlinder.

’s Nachts ‘ademen’ planten waterdamp uit doordat ze hun overdag opgebouwde energievoorraden verbranden. Dit doet iedere plant in de complete Amazone en kleine beetjes maken veel op zo’n schaalniveau. De Amazone creëert op die manier minimaal de helft van de neerslag die er uiteindelijk weer valt. Sterker nog, door het formaat van de Amazone kan deze vochtige lucht in Texas en Californië nog voor regenbuien zorgen. Nu het regenwoud slinkt, neemt ook de jaarlijks neerslag in Zuid-Amerika meetbaar af. Die droogte maakt de Amazone extra kwetsbaar voor oncontroleerbare branden, waarvan er sowieso steeds meer aangestoken worden doordat de rechts-populistische regering van Brazilië beschermingsmaatregelen doelbewust intrekt. Hierdoor wordt het regenwoud nog kleiner, waardoor er nog minder regen valt, waardoor het regenwoud weer kleiner wordt.

Foto: Anthony Breve (BB-Facebook). Vuurpassiebloemvlinder.

Het is nog niet te laat voor het Amazonewoud, maar het scheelt niet veel meer: gerenommeerde wetenschappers hebben berekend dat er onomkeerbare klimatologische processen in werking zullen treden waardoor West-Brazilië tot een savanne zou verdorren, wanneer het regenwoud 20-25% van zijn oorspronkelijke terrein verloren heeft. Ter herinnering: momenteel zitten we al boven de 19%. Een snelle som levert op dat we 2019, het slechtste jaar van het vorige decennium, nog maar een paar keer zouden kunnen ‘overdoen’ voordat dat omslagpunt bereikt wordt. Moge het duidelijk zijn: als dit gebeurt, zal het regenwoud niet meer terugkeren. Zo’n gebeurtenis zou een van de grootste ecologische rampen uit de bestaansgeschiedenis van de mensheid zijn.

Foto: Karin Seltenrijch (BB-Facebook). Monarchvlinder.

Het ironische is dat de economische winst van dit alles niet-bestaand is: de schade van de afnemende regenval op het platteland is nu al minimaal even groot als het geld dat nieuwe landbouwgrond oplevert. Sowieso heeft de Amazone helemaal geen vruchtbare bodem: weet je het verhaal van zo-even nog, dat vrijwel alle nieuwe voedingsstoffen direct weer opgenomen worden door planten? Als er ontbossing plaatsvindt, verstoor je die balans en blijft er dus alleen schrale aarde over. Niet alleen op ecologisch gebied maar óók op economisch gebied hebben we juist baat bij een gezonde Amazone: eentje die CO₂ aan de lucht onttrekt en regenval bevordert.

Foto: Sabine Buchholz (BB-Facebook). Rups van de mottensoort Rothschildia lebeau.

Naar schatting telt geen enkele faunaregio zoveel vlinders als Centraal en Zuid-Amerika: ergens tussen 25 á 50% van alle bekende soorten komt hier voor. Hetzelfde geldt voor het minder populaire neefje van de vlinder, de mot. In feite zijn hun onderlinge verschillen overigens verwaarloosbaar. De term ‘vlinder’ wordt gebruikt voor één specifieke tak van de insectenorde Lepidoptera (‘schubvleugeligen’), die goed is voor ongeveer één op de tien soorten binnen deze clade. De naam ‘mot’, met zijn vrij negatieve bijsmaak, wordt gebruikt voor de resterende 150.000+ Lepidoptera-soorten: zonde, want dit doet hun enorme diversiteit eigenlijk geen eer aan. Afijn: bij binnenkomst in Amazonica zal je al snel de eerste vlinders zien. Met deze zoekkaart kan je de soorten uit elkaar houden. De kans is groot dat het azuurvlinders zijn, zij fladderen vaak in ‘treintjes’ rond met hun prachtige blauwe vleugels. De kleine passiebloemvlinder kan ook vaak gespot worden bij de diverse voederstations, net als de witte morpho’s en geelband-passiebloemvlinders. De patronen, kleuren en soms zelfs de vorm van de vleugels van een vlinder dienen een specifiek doel. Er zijn soorten die hun best doen om op te gaan in hun omgeving, zoals de malachietvlinder, terwijl veel andere soorten, zoals de azuur-, monarch-, zebra-, zonnebloem- en vuurpassiebloemvlinder, alsmede de meeste Heliconius-passiebloemvlinders, met felle kleuren waarschuwen dat ze giftig zijn voor hun belagers. Soms bluffen ze: er zijn niet-giftige vlindersoorten, zoals de ‘gewone’ passiebloemvlinder, die sprekend op hun giftige evenbeelden lijken, en natuurlijk zijn er veel soorten die nep-ogen op hun vleugels hebben om zo op een roofdier te lijken. Een interessante ontdekking uit recente jaren is dat het per vlindersoort verschilt welke kleuren zij wel of niet kunnen zien, en dat sommigen zelfs in staat zijn om het voor ons onzichtbare ultraviolet waar te nemen!

Foto: Jean-Luc Sleijpen (BB-Facebook). In 2017 ontving Blijdorp poppen van de Tithorea tarricina – mooie vlinders met nóg mooiere cocons…

Vlinders en motten maken dezelfde levenscyclus mee, van rups tot ‘imago’, zoals de volwassenen heten. Deze metamorfose is zo radicaal dat een normale puberteit of vervelling niet volstaat: als een rups een cocon gesponnen heeft, verteert het diertje zichzelf van binnenuit. Slechts een paar klompjes met cellen doorstaan het proces, alsmede enkele zenuwclusters of spiertjes (afhankelijk van de soort). Deze kleine segmenten voeden zichzelf met de opgeloste eiwitten van de rups en vormen zo uiteindelijk een volgroeide vlinder, die nog de herinneringen van zijn larvenfase heeft. Als de vleugels enige tijd na het openen van de cocon uitgehard zijn (zij het nog altijd enorm broos), kunnen de dieren overgaan tot voortplanting. Overigens geldt voor de meeste motten en vlinders dat ze niet gemakkelijk in de juiste stemming te krijgen zijn: veel soorten hebben slechts één specifieke plantensoort waarop ze hun eieren willen afzetten. Met een aantal vlindersoorten lukt dit al in Amazonica, maar eens in de zoveel tijd komen er nog pakketjes met cocons binnen van kweekcentra in Costa Rica om het bestand verder aan te vullen. Op deze pagina staat goed uitgelegd hoe dit in zijn werk gaat.

Foto: Johanna Kok (BB-Facebook). Morpho’s, zoals deze azuurvlinder, gebruiken geen normale pigmenten voor hun sprankelende blauwe kleuren, maar hebben gecompliceerde nanostructuren op hun vleugels die een ‘structurele kleur’ creëren: de selectieve weerkaatsing van bepaalde golflengten.

Amazonica: van angelloze bij tot zoetwaterrog

Foto: Esther Binnendijk (BB-Facebook). Gele anaconda.

Het Amazonewoud ontleent zijn naam, zoals natuurlijk algemeen bekend is, aan de rivier die er als levensader doorheen stroomt. De Amazonerivier strijdt samen met de Nijl om de titel ‘langste rivier’, heeft een stroomgebied ter grootte van 1,5x de Europese Unie en per seconde verlaat 200 miljoen liter water zijn riviermonding. Dat is het equivalent van 83 Olympische zwembaden per seconde en komt neer op 6,6 biljard liter per jaar: een onbetwiste gouden medaille op dat gebied. Kortom: het leven rondom het water speelt een centrale rol in het bestaan van iedere Amazone-bewoner. Zo ook de gele anaconda: een wurgslang van ruim vier meter lang die nooit ver van de oever vertoeft. Ze jagen er op vogels, hagedissen en zoogdieren die komen drinken, maar bijten zich soms ook pijlsnel vast in voorbijzwemmende vissen en kleine krokodillen. Er zijn maar weinig boa’s die jagen op prooidieren die zoveel groter zijn dan zijzelf. De buren van de gele anaconda’s zijn de sieraardschildpadden. Zij voelen zich voornamelijk thuis tussen de takken en bladeren van de vochtige bosbodem, maar staan er ook om bekend niet waterschuw te zijn. Ondanks hun mooie schildpatroon zijn ze nog niet zo goed bestudeerd in het wild, maar het is duidelijk dat habitatvernietiging in hun Centraal-Amerikaanse thuislanden zijn tol eist op de populatie.

Foto: Jean-Luc Sleijpen (BB-Facebook). Jeberos gifkikker.

Als je links aanhoudt, leidt het kronkelende pad je naar een onderbreking in de dichte vegetatie. Dit is El Bosque Nuevo: een dorpje met klein wild als voornaamste inwoners. Het ‘poppenhuis’, de kraamkamer van de vlinders, staat er centraal, maar andere soorten huizen er permanent. Zo wonen er twee soorten gifkikkers in een ruim terrarium vol poeltjes en planten: precies de habitat waarin ze zich fijn voelen. In de tropen van Amerika komen er meer dan honderd varianten voor, waarvan sommigen slechts lichtelijk giftig zijn, maar anderen zijn zo gevaarlijk dat inheemse stammen hun pijlpunten dopen in hun gif. De meest giftige soort, eentje uit Colombia, kan tien mensen omleggen met het gif van één individu. Die toxines maken de amfibieën overigens niet zelf aan: de kikkers ‘oogsten’ ze uit mieren en kevertjes die het op hun beurt binnenkrijgen via planten. De twee soorten die in Blijdorp leven, verschillen duidelijk van grootte. De Jeberos gifkikker uit Oost-Peru is de kleinste en heeft een mooie rood-blauwe tekening. De grotere Braziliaanse gifkikker, blauw-geel, is een ondersoort van D. tinctorius, net als de veel bekendere (maar niet aanwezige) blauwe gifkikker. Beide soorten planten zich veelvuldig voort in Rotterdam, maar daarover later meer. Het is trouwens het vertellen waard dat er op een dag ook loslopende Anthony’s pijlgifkikkers verschenen zijn in Amazonica op onbekende wijze, maar geen zorgen: doordat ze zich uitsluitend storten op lokaal ongedierte en geen tropische insecten eten, zijn ze niet gevaarlijk.

Foto: Cor de Gier (BB-Facebook). Ecuadoraanse roodvoetspin.

Er is ook enige vertegenwoordiging voor ongewervelden in El Bosque Nuevo. Zo is er een terrarium voor de Ecuadoraanse roodvoetspin: een grijsbruine, harige vogelspin die sommige bezoekers ongetwijfeld de stuipen op het lijf zal jagen, maar het is ook zonder meer een mysterieuze soort. Aanvankelijk had Blijdorp namelijk één vrouwtje, maar na haar overlijden vonden de verzorgers allerlei kleine spinnetjes in het verblijf. Hoe ze het voor elkaar heeft gekregen is een raadsel, maar tegenwoordig is een aantal van die jongen te zien als haar troonopvolgers. Dit soort waarnemingen zijn ook bij enkele andere vogelspinnen gedaan, dus mogelijk kunnen deze achtpotigen zichzelf bevruchten indien nodig. De Ecuadoraanse roodvoetspin kan zonder moeite over verticale oppervlakten lopen dankzij de kleine haken (tarsi) en microscopische haartjes (scopulae) onder zijn voeten en hij kan bovendien een lijmachtige rag uitscheiden onder zijn zolen voor extra grip. Een echte boombewoner dus. Op vogels jagen zal hen niet lukken: meestal eten ze insecten en ander klein grut, al willen ze nog wel eens profiteren van het kadaver van bijvoorbeeld een kolibrie. Ze zijn extreem mensenschuw en kiezen bij voorkeur het hazenpad, maar als ze in het nauw gedreven worden, kunnen ze pijnlijk bijten, uitwerpselen schieten en hun brandharen laten verstuiven.

Foto: Cor de Gier (BB-Facebook). Peruaanse wandelende tak.

In een ander, soortgelijk terrarium is de Peruaanse wandelende tak te vinden. In het Engels worden ze ook wel black beauties genoemd en uit hun uiterlijk blijkt waarom: deze insecten, meestal enkele centimeters lang, hebben een pikzwart lichaam. Volwassen dieren hebben wel een paar felrode vleugeltjes. Het zijn rudimentaire organen, overblijfselen uit het verleden zonder duidelijk doel: als hun camouflage niet voldoende blijkt te zijn, kunnen ze zich hoogstens verdedigen door een lichtelijk irriterende vloeistof te spuiten. Van nature komen ze slechts in een heel klein gebied voor langs het Peruaans-Ecuadoraanse grensgebergte: de gehele populatie houdt zich op in een strook van nog geen vijf hectare, waar ze zich te goed doen aan de blaadjes van peperbomen. Hun voortbestaan lijkt gelukkig gegarandeerd doordat ze het goed doen in gevangenschap.

Foto: Jean-Luc Sleijpen (BB-Facebook). Angelloze bijen bewaken de ingang van hun nest: indringers bijten ze in hun vleugels, zodat ze uit de lucht storten.

Naast het coconrek van El Bosque Nuevo is tenslotte een van de bijenkorven van Amazonica te vinden. De inwoners zijn angelloze bijen uit Costa Rica, waar ze wel mariquitas genoemd worden: engeltjes. Voor mensen is hun aanwezigheid inderdaad uitsluitend positief, gezien zij naarstig van bloem naar bloem vliegen en zo de belangrijke taak van bestuiving op zich nemen. Zelfs de planten in Amazonica hebben grotere vruchten sinds hun komst! Dat is natuurlijk geen liefdadigheidswerk voor de bij: stuifmeel en nectar vormen het dieet van de larven in het nest. Deze twee voedingsstoffen worden dan ook secuur en apart van elkaar opgeslagen in afgesloten ‘potjes’ in de buitenste schil van het nest. Enkele isolerende waslaagjes scheiden dit depot van de broedkamer in het midden van het nest. Die broedkamer bestaat uit allerlei horizontale plateaus, ondersteund door kleine pilaren, waar precies één bij tussen past. Als een cel in het plateau gereed is voor de komst van de kleine, instrueert de koningin de werkers om driekwart van de cel te vullen met een uitgebraakte mix van stuifmeel en honing. Tot slot eet de koningin een onbevrucht ei dat gelegd wordt door een werkster en dan wordt het bevruchte ei voorzichtig in de cel geplaatst. De cel gaat dicht en 45 dagen komt een volgroeide bij tevoorschijn. Diergaarde Blijdorp faciliteert momenteel een onderzoek van de Universiteit Utrecht naar deze insectensoort.

Foto: Peter Milano (BB-Facebook). Jeberos gifkikker.

Als je via El Bosque Nuevo naar de centrale waterpartij reist, kom je in het midden van de koepel een cluster van bromelia’s tegen. Diergaarde Blijdorp beheert de Nationale Plantencollectie van deze Zuid-Amerikaanse bloemen (subfamilie Bromelioideae), waarvan meer dan 800 wilde soorten bekend zijn. De meeste daarvan zijn epifyten: planten die groeien op boomtakken om zo bij het licht te komen, maar die er geen parasitaire gewoontes op na houden en dus geen voedingsstoffen aftappen. Hun wortels dienen voornamelijk als anker en de bromelia’s hebben er verder niet bijzonder veel aan. Gelukkig voor de bromelia groeien hun bladeren in de vorm van een bladrozet: hier vormt opgevangen regenwater een poeltje (een ‘phytotelma’) waaromheen heuse ecosystemen opbloeien. Organisch materiaal dat bezinkt, zoals uitwerpselen of dode dieren, kan geleidelijk door de bromelia geabsorbeerd worden in de vorm van bladvoeding. Hierdoor heeft de bromelia dus geen last van het gebrek aan aarde rondom hun wortels. Een van de meest opvallende stamgasten van de bromelia is de eerder genoemde Jeberos gifkikker: het is namelijk hun kraamkamer van voorkeur. Het vrouwtje zet enkele eieren af in één zo’n kelkpoeltje en vervolgens vervoert het mannetje de kikkervisjes naar hun individuele bromelia-bassins. Het mannetje houdt de wacht en attendeert het vrouwtje erop wanneer zij het kikkervisje met een onbevrucht voedseleitje moet bevoorraden. De kikkers van het taxon R. imitator, waartoe ook de Jeberos gifkikker behoort, zijn voor zover bekend de enige amfibieën die monogame koppels vormen.

Foto: Coby van Hespen (BB-Facebook). Malachietvlinder op watersla.

Via een ongevallen boomstam arriveren we op een zandbank, omringd door rivierwater. Een drijvend plantje dat bekend staat als ‘watersla’ heeft vrij spel in een ondiep poeltje naast de boomstronk. Waar deze plant, die nog extremer kan woekeren dan ‘ons’ eendenkroos, exact vandaan komt, is onbekend, maar tegenwoordig houden ze stand in vrijwel iedere tropische rivier ter wereld. De oever van hun waterpartij wordt veelvuldig bezocht door dorstige vlinders. Het meer aan de andere kant van de zandbank is vele malen groter: het lijkt misschien een rustige vijver van bovenaf, maar onder water is het een drukte van belang. De bodem wordt omgeploegd door pauwoogzoetwaterroggen en witgevlekte zoetwaterroggen, wiens gifstekel aan hun staart verraadt dat ze verwant zijn aan de pijlstaartroggen uit de oceaan. Tot zo’n vijftig miljoen jaar geleden, toen de Andes nog niet bestond, ontsprong de Amazone in het oosten van Zuid-Amerika en bevond de riviermonding zich aan de westkust van het continent. Met de opstuwing van de Andes pal voor de westkust kon het water nergens meer heen en daardoor ontstond een flinke binnenzee tussen de Andes en de rest van Zuid-Amerika in. Rond deze tijd migreerden pijlstaartroggen naar deze ondiepe en levendige wateren, alvorens andere geologische processen de binnenzee afsloten van de rest van de oceaan. Vervolgens zorgde smeltwater uit de Andes er niet alleen voor dat de rivier zijn stroomrichting omdraaide in oostelijke richting, maar het zorgde er ook voor dat de binnenzee geleidelijk steeds minder zout werd. De opgesloten roggenpopulatie ondervond natuurlijke selectie en zo ontstond langzaam maar zeker het prachtige hedendaagse veelvoud aan kleurrijke zoetwaterroggen.

Foto: Greet van den Bergh (BB-Facebook). Arrauschildpad.

Enkele arrauschildpadden peddelen kalm door het meer, altijd aan het speuren naar gevallen fruit en blaadjes. Met een schildlengte van een meter is het niet alleen de grootste halswendende schildpaddensoort (d.w.z.: ze kunnen hun hoofd niet volledig terugtrekken in hun schild), maar ook de grootste zoetwaterschildpad van Zuid-Amerika. Het is een titel die ze ogenschijnlijk erg serieus nemen: vrijwel nooit laten ze zich op het droge zien. De uitzondering op die regel is het voortplantingsseizoen, want de vrouwtjes stimuleren hun eisprong door te zonnebaden. Dit gebeurt, net als het leggen van de eieren, in het gezelschap van soms wel een paar honderd soortgenoten en wordt gecoördineerd via specifieke geluiden. Wanneer het waterpeil van de Amazone rond december begint te stijgen, is het van belang dat de jonge schildpadjes net vóór het overstromen van hun nest uit het ei kruipen. In tegenstelling tot veel andere reptielen laat de moeder haar jongen niet direct aan haar lot over: door het maken van geluidjes leidt ze hen naar overstroomde delen van het bos, waar ze nog een tijdje samenblijven. In 2006 vestigde Diergaarde Blijdorp een mondiaal primeur met de geboorte van tien arrauschildpadden in de Rivièrahal.

Het is goed mogelijk dat jonge arrauschildpadjes de zwarte pacu tegenkomen in de wateren tussen de boomstammen. Het grootste deel van het jaar brengen deze gentle giants namelijk door in overstroomde bossen. Hun lievelingskostje is dan ook fruit en zodoende spelen pacu’s een zeer belangrijke rol bij het verspreiden van zaden. Ze gedragen zich in die overstroomde stukken regenwoud ook overwegend als eenlingen; pas wanneer de pacu’s tijdens het ‘droge’ seizoen gedwongen worden om terug te keren naar de rivierbedding, vormen ze scholen. Richting het einde van het jaar migreren deze scholen stroomopwaarts om te paaien. Voor de pacu’s zelf is hier bijna geen eten te vinden en de vissen vermageren dan ook sterk, maar op deze manier arriveert hun nageslacht bij de voedselrijke overstromingsvlaktes precies zodra ze oud genoeg zijn om voedsel tot zich te nemen.

Foto: Jim Louwerens (BB-Facebook)

De pacu’s delen hun domein met een vis van vergelijkbaar formaat, maar van wie ze qua gedrag niet sterker konden verschillen: de roodstaartmeerval. Net als vele ‘riviermonsters’ beginnen zij hun leven als sierlijke en kleurrijke visjes, maar het unieke aan deze soort is dat ze ook op latere leeftijd best een mooi dier blijven met hun grauwe romp, witte flank en rode vinnen. Hun zes baarddraden zijn opvallende organen en fungeren als een soort snorharen, waarmee ze niet alleen in het duister objecten kunnen aftasten, maar ook kunnen ruiken en proeven. Van nature bewegen roodstaartmeervallen zich ietwat sloom en houden ze zich op in de duistere kiertjes van boomstammen, onder uitgesleten oevers en onder overhangende beplanting. Ze jagen er via hinderlagen op schaaldieren en vissen, maar in feite nemen ze genoegen met alles wat in hun mond past. In Amazonica woont eveneens een tijgerspatelmeerval: een opvangdier dat te groot werd voor zijn baasje. Zulke verhalen zijn ook schering en inslag bij roodstaartmeervallen, want al op jonge leeftijd veranderen ze in onverzadigbare joekels van twee meter lang en vijftig kilo zwaar.

Toch zijn de pacu’s en meervallen niet de grootste vissen in het bassin. Die titel staat op naam van de arapaima: een reusachtige vis die, eenmaal volgroeid, meestal tussen de twee en drie meter lang is, met uitschieters richting de vijf meter. De arapaima doet met zijn grote, harde schubben enigszins primitief aan en daar zit ook wel een kern van waarheid in. Hoewel ze niet van een even oude tak als bijvoorbeeld de haai, steur of kaaimansnoek afstammen, schatten sommige wetenschappers dat de arapaima en zijn verwanten al 100 miljoen jaar vrijwel onveranderd rondzwemmen. Ter illustratie: de dino-heerschappij eindigde ‘maar’ 66 miljoen jaar geleden. De zwemblaas van de arapaima, een orgaan dat vissen normaal helpt met het reguleren van hun drijfvermogen, bevat long-achtig weefsel dat de arapaima in staat stelt om zelfs in de meest zuurstofarme wateren aan zuurstof te komen aan de oppervlakte. De arapaima is een omnivoor, maar schroomt zich niet om uit het water te springen om dieren langs de oever te vangen. Hij staat zonder twijfel bovenaan de voedselketen en is ook nog eens extra fel tijdens het ouderschap, wanneer het mannetje de jongen beschermend in zijn mond houdt en het vrouwtje op de uitkijk staat. Het gaat echter niet goed met de arapaima: in het grootste deel van de Amazone is de arapaima erg zeldzaam geworden door overbevissing en habitatvernietiging. Het vergaren van kennis over een zeldzame vis – waarvan sommigen denken dat er in feite vijf aparte soorten zijn – in het troebele water van een landsgrens-overschrijdend stroomgebied dat bijna even groot is als Australië, is erg lastig en een officiële IUCN-assessment is er dan ook niet. Het is echter duidelijk dat er op korte termijn meer beschermingsmaatregelen nodig zijn als we deze 100 miljoen jaar oude meesterwerkjes van de natuur willen behouden.

Foto: Ray Beers (zoom.nl). Arapaima.

Via een kleine stroomversnelling arriveren we bij het territorium van de roodbuikpiranha’s en gestreepte kopstaanders. Piranha’s hebben een geduchte reputatie, met allerlei verhalen die hun bloeddorstigheid beamen. Niets kon echter minder waar zijn: piranha’s zullen zelden een prooi proberen te overmeesteren die groter is dan dat zij zelf zijn. Er zijn zeldzame meldingen van grote groepen piranha’s, maar dan vindt het scholen alsnog hoofdzakelijk plaats voor hun eigen veiligheid en zoekt ieder zijn eigen kostje. Het komt bij tijd en wijlen voor dat, wanneer een groot (land)dier wordt aangevallen door een groot roofdier, piranha’s met een paar honderd dieren tegelijkertijd toesnellen en als aaseters de rivier rood kleuren. Toch blijft de schade bij mensen meestal beperkt tot een paar tandafdrukken in een teen. De onderhuurders van de piranha’s, de gestreepte kopstaanders, zijn nog pacifistischer: zij leven van algen en vangen van tijd tot tijd wat muggenlarven. Wel zijn ze soms vrij territoriaal naar hun soortgenoten.

Foto: Gert Slagmolen (BB-Facebook)

Het laatste stukje van het rivierstelsel is een rustige vijver die doorsneden wordt door een vlonder laag over het water. Dit is het paleis van de reuzenwaterlelie: een naam die boekdelen spreekt. Sinds 1887 zijn deze drijvende titanen te vinden in Rotterdam en de recorddiameter voor de bladeren staat op 2,20 meter. De reuzenwaterlelie heeft een enorme draagkracht doordat de gekartelde onderzijde van het blad luchtholtes creëert. De opstaande rand houdt de golven buiten, maar een kleine inkeping zorgt ervoor dat regenwater alsnog afgevoerd kan worden. Elke zomer bloeit de plant een aantal keer. De bloei duurt slechts twee nachten: de eerste avond verschijnt de bloem als een mooie witte bloem met een ananasachtige geur, die allerlei insecten aantrekt. De tweede avond is de bloem roze, maar zonder geur. Dit wordt gedaan zodat de insecten met stuifmeel op hun lichaam naar andere planten trekken. Er worden tegenwoordig twee soorten erkend: de welbekende Victoria amazonica uit het Amazonegebied en de nog iets grotere Victoria cruziana uit het zuidelijkere Paraná-Paraguaystelsel. Met beide soorten wordt gekweekt in Diergaarde Blijdorp.

Onze reis door Zuid-Amerika begon in de kille, nietsontziende hooggebergtes en afdalend kwamen we allerlei aparte werelden en hun bijzondere inwoners tegen. Van bergstroompje tot moerassige riviermonding: we hebben een klein inkijkje in al die ecosystemen gekregen. Ook benieuwd naar wat de rest van de planeet ons te bieden heeft? Reis met ons verder naar het ongetemde continent, het land van de Big Five en de Great Migrations. Ga mee op safari op de Afrikaanse Savanne!

Foto: Luciënne de Gier (BB-Facebook)

WAAR?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *