Noord-Amerika!

Columbus ontdekte in 1492 een ‘Nieuwe Wereld’: een land dat al bevolkt was door mensen, maar dat sindsdien iedere verbinding met Europa was kwijtgeraakt. In zijn voetsporen traden drastische veranderingen die voor eeuwig hun stempel op Amerika hebben gedrukt. Hoopvolle migranten raakten verzuild in grimmige conflicten met inheemse stammen; wereldsteden verrezen aan riviermondingen; plantages, bewerkt door slaven, schoten als paddenstoelen uit de grond; de natuur blies de aftocht. Noord-Amerika is tegenwoordig niet meer weg te denken als het centrum van de Westerse cultuur – maar tot op de dag van vandaag verkeren de mensheid en Moeder Natuur hier in een staat van continu conflict.

Dit continent in de Diergaarde begon als een simplistische bizonweide, met als doel de wandeltocht van de ‘oude’ zijde naar het Oceanium aan te kleden. Het perk vormt tegenwoordig het hart van de Prairie-biotoop, die vergezeld wordt door zijn noordelijkere evenbeeld. De Arctica-biotoop kende een roerige start. In 2000 werd het oude ijsberenverblijf bij de Grote Vijver permanent buiten dienst gesteld: de betonbak was allesbehalve diervriendelijk en aan fondsen voor een nieuw onderkomen ontbrak het. Achter de schermen was het gemis echter groot en zodoende werd een actie op touw gezet om niet alleen de ijsberen, maar een heus stukje toendra naar Rotterdam te halen. Dankzij een miljoenengift van de vereniging Vrienden van Blijdorp werd uiteindelijk in de zomer van 2008 een nieuwe biotoop geopend – die op dat punt overigens nog altijd op een bouwput leek. En dat bleef nog wel even zo, want kort na de onthulling stapelden de tekortkomingen zich op en moest men terug naar de tekentafel. Toch was het de moeite meer dan waard: tegenwoordig kan Blijdorp pronken met een vooruitstrevend ijsberenverblijf naast de moderne entree. De soort wordt heden ten dage vertegenwoordigd door mannetje Wolodja, enigszins een nieuwkomer, en oudgediende Olinka: zij bracht eerder Vicks en de ijsbeertweeling Sizzel en Todz voort. De Diergaarde hoopt in de komende jaren zijn aandacht op de Prairie te kunnen richten.

De omnipotente omnivoor

Foto: Patty Kloosterman (BB-Facebook)

De meest gebruikelijke voorstelling van de Amerikaanse natuur gaat samen met wijde bossen, stroompjes en bergen. In werkelijkheid kent het continent een veelvoud aan andere biotopen, maar geheel fout is dit beeld niet. Toen kolonisten deze gebieden verkenden, stuitten ze op een bijzonder dier: de ahrah-koon-em, zoals de lokale bevolking hem noemde. Het betekent iets als ‘hij die wrijft, boent en krabt met zijn handen’. Het is het gedrag waar de wasbeer beroemd om is geworden, maar ‘wassen’ is een slechte benaming: de activiteit heeft weinig met hygiëne te maken. De wasbeer heeft namelijk de gevoeligste handen van het gehele dierenrijk, maar liefst twee-derde van het hersencentrum dat zintuigelijke waarnemingen verwerkt is gewijd aan de tast. In het wild besteden wasberen veel tijd rondom rivieren en beekjes: als zij daar objecten aftasten, lijkt het dus alsof het dier zijn eten wast. Het pakken van voedsel van de kade en dit meenemen naar het water is overigens alleen waargenomen in dierentuinen: het wordt dan ook wel gezien als stereotype gedrag.

Foto: Luciënne de Gier (BB-Facebook)

Normaliter staat de uitbreiding van menselijke nederzettingen lijnrecht tegenover de belangen van de natuur, maar niet altijd. De wasbeer is dé winnaar van de urbanisatie door zijn vermogen om te klimmen, zwemmen en zich door kleine ruimtes te wurmen. Nog belangrijker is het feit dat ze met hun klauwen moeiteloos vuilnisbakken (of keukenramen) kunnen openen. Ze eten wat de pot schaft, de wasbeer is een echte omnivoor. Niemand weet precies hoeveel wasberen tegenwoordig schuilgaan in steden, maar moge het duidelijk zijn dat de wasbeer een echte pionierssoort is.

Dat gegeven is echter een serieus probleem overzees: vanaf de eerste helft van twintigste eeuw zijn er immer uitdijende invasieve populaties te vinden in Duitsland en de Kaukasus. Het oorspronkelijke handjevol werd geïntroduceerd voor de jacht, maar tegenwoordig gaat de natuur van onze oosterburen gebukt onder ruimschoots een miljoen wasberen. Ook Japan worstelt sinds de jaren ’80 met de soort, die inmiddels tot iedere uithoek van de vulkanische archipel is doorgedrongen. De oorzaak van dit probleem was een mateloos succesvolle kinderserie waarin een wasbeer de hoofdrol speelde, wat leidde tot gigantische import voor de huisdierenhandel. Nederland heeft tot op heden geen permanente wasbeerpopulatie, maar het aantal waarnemingen stijgt. Dit komt enerzijds door de extreme groei van de Duitse populaties en anderzijds doordat ook hier mensen foutief denken dat het geschikte huisdieren zijn. Stichting AAP heeft zijn handen vol aan de opvang van deze kleine roofdiertjes en het grootste deel van de Blijdorpgroep is dan ook afkomstig uit dit centrum.

Foto: Jw V Brenk (BB-Facebook)

Van taiga tot pool

Foto: Maxime Stok (BB-Facebook)

Canada is een van de grootste landen ter wereld, maar op de steden in het zuiden na is het land vrijwel leeg. Wie richting de Poolcirkel trekt, komt steeds extremere omstandigheden tegen: de meest noordelijke nederzetting heeft jaarrond een gemiddelde temperatuur van -20 °C. Levensvormen die hier proberen stand te houden, moeten zich aanpassen aan de onvergefelijke leefomstandigheden. In Nederland staan vossen bekend als sluwe roofdieren en ook in het hoge noorden geldt dat wie niet sterk is, slim moet zijn. De poolvos staat halverwege de voedselketen: terwijl zij leven van kleine knaagdieren, vogels, karkassen en bessen, moet de poolvos zelf oppassen voor beren, veelvraten en zelfs zijn neef, de wolf. Ook hun barre leefomgeving vormt vanzelfsprekend een uitdaging, maar de poolvos heeft oplossingen gevonden voor al deze problemen. Zo zijn deze dieren zeer compact gebouwd om warmteverlies te beperken en brengen ze hun jongen groot in de luwte van hun complexe holenstelsels, die vaak van generatie op generatie worden doorgegeven en keer op keer worden uitgebreid. Hoewel ze in regel solitair zijn, worden in het paarseizoen monogame koppels gevormd en in bijzonder overvloedige jaren kunnen heuse roedels ontstaan. In schaarsere periodes leggen ze ondergrondse voedselvoorraden aan.

Foto: Maxime Stok (BB-Facebook)

Hun jachtvermogen is bijzonder goed: knaagdieren die zich in de sneeuw verschansen kunnen ze alsnog horen bewegen op meer dan 10 centimeter diepte en voor bovengrondse prooidieren vallen ze weg tegen de besneeuwde toendra. Naarmate de dagen langer worden, ondergaat de poolvos echter een metamorfose. Tezamen met zijn leefomgeving verruilt de poolvos een groot deel van zijn pluizige, witte vacht voor een dunner en donkerder zomerkleed. Zo blijft de poolvos ook ’s zomers een geduchte vleeseter. Een flink aantal prooidieren van de poolvos doet hem dit trucje echter na, wat betekent dat deze dieren moeten blijven werken voor de kost.

De volgende soort langs de route leeft in een warmere regio. Nou ja, warmer: van oktober tot juni is het Kamtsjatka-schiereiland van Rusland alsnog bedekt door een dik pak sneeuw. Desalniettemin heeft de nabijheid van de zee een matigende werking op de temperatuur, waardoor er uitgestrekte naaldbossen zijn ontstaan: de zogenaamde taiga’s. Dit is het optrekje van de Stellers zeearend: een reusachtige adelaarssoort met een spanwijdte van 2,5 meter en een voorliefde voor vis. Deze grijpen ze al vliegend met hun gevaarlijke klauwen, vlak langs ondiepe wateren scherend. Hun prooi, die soms even zwaar is als de roofvogel zelf, wordt vaak nog levend gevoerd aan hun kuikens. Die kruipen overigens vaak ’s zomers uit het ei, vlak voor de grote migratie van zalmen stroomopwaarts. Ze zijn ook nog eens vrij intelligent: bij gebrek aan vis kunnen ze in volle vlucht ongelukkige vogels overmeesteren en ze kunnen vertrouwensbanden opbouwen met individuele vissers. Helaas kunnen ze problemen zoals houtkap, winning van fossiele brandstoffen en overbevissing niet het hoofd bieden en lopen hun aantallen in het wild gestaag terug.

Foto: Fanny den Outer (BB-Facebook)

Nanuq: Jachtgod der Inuit

Hoewel er zeker niet de spotten valt met de poolvos en de Stellers zeearend, kan er natuurlijk maar één poolster zijn: de ijsbeer. Tot wel drie meter lang, gemakkelijk 500 kilo schoon aan de haak, sprintend bijna even snel als Usain Bolt en de bijtkracht van twee leeuwen: je wilt het niet aan de stok krijgen met deze hypercarnivoor (en ja, dat is de wetenschappelijke term). Niet voor niets heeft de ‘nanuq’ een bijzonder plekje in de mythologie van de inuit gekregen.

Foto: Jim Louwerens (BB-Facebook)

Tegenwoordig omvat de natuurlijke habitat van de ijsbeer een groot deel van de kustregio van de Noordelijke IJszee, maar de bakermat van deze soort ligt in Noordoost-Azië. Zo’n 150.000 jaar geleden raakte daar een populatie van bruine beren gescheiden van de buitenwereld door de reusachtige gletsjers van de ijstijd. In die relatief korte tijd onderging deze populatie radicale veranderingen door de enorme selectiedruk van de ongastvrije Arctische omgeving. Bruine beren zijn voor een groot deel afhankelijk van ‘makkelijke’ maaltijden zoals vruchten en kadavers, maar op de noordelijke ijskappen ligt het voedsel niet voor het oprapen. Zodoende veranderden deze bruine beren in spierwitte carnivoren, die het overgrote deel van hun eten bijeensprokkelen door onoplettende zeehonden in hinderlagen op te wachten bij wakken in het ijs.

Foto: Rob van Eijk (BB-Facebook)

Dieren met een dikke vacht koelen minder snel af doordat warme luchtlaagjes blijven hangen tussen de haren, maar voor de ijsbeer is dat slechts het halve verhaal. Hun haren zijn in feite transparant, maar de buitenste haren zijn hol en gevuld met lucht. Het licht dat hierop valt, reflecteert voor een groot deel en daardoor lijkt de ijsbeer dus wit. Het deel dat niet wordt weerkaatst, landt op de huid: die is zwart en neemt zonnewarmte dus goed op. De pels van de ijsbeer is dus ronduit briljant te noemen! Ook het feit dat hun vetlaag tot wel tien centimeter dik is, is gunstig voor de isolatie. Hun grote poten, tot wel 30 centimeter breed, stellen de ijsbeer in staat om zijn gewicht te spreiden en zonder problemen over dun ijs of verse sneeuw te lopen. Overigens is er in die benen iets bijzonders gaande. Om niet uit te glijden op het ijs, is het belangrijk dat de voetzolen van de ijsbeer kaal zijn. Als een mens enige tijd met blote voeten op pakijs zou staan, zou het lichaam echter pijlsnel al zijn warmte verliezen en onderkoeld raken. Bij ijsberen liggen de aanvoerende slagaders (met warm bloed) daarentegen direct tegen de afvoerende aders (met koud bloed) aan. Het koele bloed dat weggaat van de voetzolen wordt daardoor weer een beetje opgewarmd, terwijl het bloed in de slagaders (richting de poten) een deel van zijn warmte kwijtraakt. Het resultaat van dit opmerkelijk efficiënte ‘tegenstroomprincipe’ is dat het warmteverlies van het ijsberenlijf minimaal is. Sterker nog, wanneer de omgevingstemperatuur boven de 10 °C stijgt, moet de ijsbeer actief op zoek naar manieren weer om af te koelen.

Foto: Lia de Groot (BB-Facebook)

Wie ijsbeer zegt, zegt klimaatverandering. Vanaf de eerste meting in 1979 is een duidelijk afnemende trend zichtbaar in de maximale grootte van het zee-ijs in de winter. In 2017 was dat getal meer dan 10% kleiner geworden: een bedroevend record, maar gezien de ‘top’ tien vrijwel volledig bestaat uit jaartallen na 2010, is de verwachting dat toekomstige winters nóg zachter zullen zijn. Ook bij de metingen van de minimale grootte van het zee-ijs in de zomer bestaat de ‘top’ tien vrijwel geheel uit jaartallen vanaf 2010. Dit vertaalt zich naar een voorspelde populatieafname van de ijsbeer van 30% of meer binnen de komende dertig jaar. De aanwezigheid van zee-ijs staat immers in direct verband met hun vermogen om te jagen, te trekken en zich voort te planten. Naarmate ijsberen noodgedwongen langere afstanden van ijsschots tot ijsschots moeten overbruggen, raken ze ook sneller uitgeput: onderzoek in de dierentuin van Oregon heeft uitgewezen dat zwemmen bijzonder veel energie kost voor deze dieren. Daarnaast heeft de afnemende sneeuwval geleid tot een noordwaartse migratie van bruine beren, die vaak prooien van ijsberen weten te stelen en hun jongen doden.

Foto: Tiny Rog (BB-Facebook)

Het smelten van het ijs in de poolgebieden is extra zorgwekkend, want de temperatuur lijkt daar sneller te stijgen dan elders op de planeet. In de zomers van 2012 en 2019 steeg de temperatuur van de gehele ijskap van Groenland boven het nulpunt, iets dat tot dan toe slechts één keer was gebeurd in 700 jaar tijd. Wetenschappers dachten voorheen dat zulke heftige zomers pas vanaf 2070 zouden plaatsvinden. Dagelijks smolt er 12,5 miljard ton ijs: volgens berekeningen van NASA ligt er genoeg ijs op Groenland om de zeespiegel met een desastreuze zeven meter te laten stijgen. Bovendien versnelt de afname van het ijskapoppervlak de opwarming van de Aarde ook nog eens, doordat minder zonnestraling wordt gereflecteerd. Kortom: de situatie van de Arctische biotoop verslechtert in een schrikbarend tempo. In tegenstelling tot veel andere bedreigde habitats kan het leefgebied van de ijsbeer en andere pooldieren alleen beschermd worden met een mondiale aanpak.

Foto: Jean-Luc Sleijpen (BB-Facebook)

De Prairie: tussen hoop en wanhoop

Foto: Jim Louwerens (BB-Facebook)

Een soort die minder direct hoeft te vrezen voor de gevolgen van klimaatverandering is de bizon: een echt Amerikaans icoon. Het is wrang dat deze dieren, tegenwoordig een geliefd symbool voor het Amerikaanse binnenland, tot het randje van de afgrond zijn geduwd door de mens. Tientallen miljoenen bizons graasden eens in Noord-Amerika en zo gaven ze de weidse prairies vrijwel eigenhandig vorm. De jacht door de inheemse stammen was seizoensgebonden en vond niet op grote schaal plaats: dat veranderde echter met de komst van de Europeanen. Zij brachten paarden met zich mee, waardoor bizonkuddes veel gemakkelijker in hun totaliteit opgejaagd konden worden. Het echte omslagpunt vond overigens pas enkele eeuwen later plaats, in de negentiende eeuw…

De overheid van de nog jonge Verenigde Staten zag de indianen als minderwaardig en dwong in 1830 vele stammen om richting de prairies te verhuizen. Niet alleen dat, maar ook werd het uitroeien van de bizon officieel overheidsbeleid, juist omdat de indianen afhankelijk waren van de kuddes voor hun levensonderhoud. Ook mensen die spoorwegen en boerderijen probeerden te realiseren op de Great Plains beschouwden de soort simpelweg als een plaag, die alleen met geweerschoten opgelost kon worden. Er vond enige handel plaats in de lichaamsdelen van bizons, maar het overgrote deel van alle afgeschoten dieren werd eenvoudig achtergelaten om te verrotten. De jacht vond plaats op een groteske schaal: op internetarchieven zijn nog altijd weerzinwekkende foto’s te vinden van ogenschijnlijk eindeloze stapels bizonschedels, bestemd om tot kunstmest vermalen te worden. Binnen een halve eeuw was de bizonpopulatie geïmplodeerd: van een geschatte 30 miljoen dieren aan het begin van de eeuw resteerden omstreeks 1880 slechts 300.

Door het harde werk van onder meer William Hornaday en Theodore Roosevelt wist de bizon, tegen alle verwachtingen in, weer op te krabbelen nadat het een beschermd dier werd. Enige wraak heeft de soort kunnen nemen: het instorten van het ecologische evenwicht in de regio leidde tot de Dust Bowl in de jaren ’30, een periode waarin grote stofwolken vele boeren dwongen te verhuizen naar andere delen van het land. Tegenwoordig zijn er weer zo’n 360.000 bizons in het wild, teruggedrongen tot een twintigtal reservaten in Canada en de Verenigde Staten en een flink aantal lappen grond die in particulier bezit zijn.

Foto: Johanna Kok (BB-Facebook)

Foto: Johanna Kok (BB-Facebook)

Het herstel van de bizon geeft moed voor de toekomst van de gehele prairie. Een andere inwoner van deze graslanden, waarvoor eveneens goede hoop is, is de zwartstaartprairiehond. Onder de knaagdieren zijn ze exceptioneel in het opzicht dat ze dagactief zijn en ook ’s winters bovengronds verschijnen: vandaar dat deze soort ook zelden ontbreekt in dierentuinen. Toch moet veelvoorkomendheid niet verward worden met saaiheid, want er zijn vele opmerkelijke feiten over het prairiehondje. Zo leeft deze soort in complexe sociale groepen: een kolonie wordt in zijn totaliteit een town genoemd, maar die vallen onder te verdelen in wards die weer bestaan uit meerdere harems. De grootste town, gelegen in Texas, had een groter oppervlak dan Nederland en Vlaanderen samen en zou wel 400 miljoen dieren tellen! Dan worden de vele gasten van de gangenstelsels, zoals konijnenuiltjes en swiftvosjes, nog niet eens meegerekend. Uit onderzoek is gebleken dat ruim 40% van alle dieren op de prairie op  enige manier afhankelijk zijn van prairiehondjes en groot wild als bizons en gaffelbokken vertonen zelfs een sterke voorkeur voor gebieden met prairiehondkolonies. Toch is het niet allemaal pais en vree, want zulke gigantische groepen trekken ook veel ongewenste aandacht…

Foto: Esther Audier (BB-Facebook)

Doorgaans wijst iedere harem een lid aan dat op de uitkijk staat voor potentiële gevaren. Als een prairiehondje vermoedt dat hun ‘spotter’ zit te suffen, testen ze soms de oplettendheid van anderen door een jump-yip wave te beginnen: één dier piept terwijl hij springt en zijn koloniegenoten doen hun best om het zo snel mogelijk na te doen. Hoe sneller de reactie, hoe langer de rest vervolgens bovengronds durft te blijven. Het is een van de weinige soorten die een soort van grammaticale structuur heeft in zijn communicatie: hun ‘geblaf’ bevat informatie over wat voor roofdier er is, hoe groot het is en hoe snel het nadert. Ook lijkt het erop dat ze in staat zijn om sterke onderlinge banden te vormen, want prairiehondjes zijn alerter wanneer ze met nauwe familie zijn dan wanneer ze zich te midden van vreemdelingen begeven. Binnen hun soort weten ze vriend en vijand van elkaar te onderscheiden door hun typische begroetingskusjes.

Noord-Amerika is al met al een continent vol uitersten. Ook al is het nog zo beperkt vertegenwoordigd in Rotterdam, het werelddeel herbergt een werkelijke schat aan biodiversiteit. Toch zijn er regio’s die vele malen bekender zijn voor hun weelderige natuur: Zuid-Amerika alleen al telt vijf aparte biodiversiteitshotspots en nog twee van zulke ecologische centra zijn te vinden in Centraal-Amerika. Vervolg je reis naar het land van de groene Amazone, de kille Andes en de drassige mangroves: ga op reis naar Zuid-Amerika!

Foto: @gerruisch (BB-Instagram)

WAAR?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *