Oceanium (deel 1: het vissenrijk)

Van de 5.000 individuele vissen in de Rotterdamse Diergaarde, verdeeld over 200 soorten, verblijft een grote meerderheid in het grootste gebouw van de dierentuin. Tel daar nog eens een scala aan ongewervelden, reptielen, zoogdieren, amfibieën en vogels bij op, en je krijgt een idee van wat het Oceanium wel niet inhoudt. Deze onderwaterwereld is op vele manieren uniek vergeleken met de andere themagebieden van Blijdorp. De ongeëvenaarde soortenrijkheid heeft tot gevolg dat we niet aan iedere Oceanium-inwoner evenveel aandacht kunnen schenken. In plaats daarvan vertellen we met deze twee ‘Ontdek…’-pagina’s hun gedeelde verhaal: over de vele ontberingen, zowel natuurlijk als menselijk van aard, die deze dieren te trotseren hebben.

Op 27 juni 2001 ging een langgekoesterde droom in vervulling: na decennia van plannen maken, plannen verwerpen en opnieuw plannen maken, werd Blijdorp officieel verrijkt met een groot aquariumgebouw. Eigenlijk was het pand al een jaar daarvoor voor het eerst opengegaan, maar toen ontbrak het nog aan enkele soorten. Toen de eerste ontwerpen in de late jaren ’80 vertoond waren, was het nog de bedoeling dat het Oceanium gerealiseerd zou worden in de Grote Vijver. De zee is immers de connectie tussen de continenten, zo klonk het. In 1995 begonnen de werkzaamheden echter op een veel praktischer locatie: het uitbreidingsgebied ten westen van de spoorlijn, die al snel de Oceanium-Zijde genoemd werd. De constructie van het gebouw ging gepaard met baanbrekende innovatie: automatische voedermachines werden uitgevonden, hyper-efficiënte filtratiemethodes werden toegepast, met computers werden simulaties gemaakt en Blijdorp gooide internationaal zelfs hoge ogen met de fok van kleine voederdieren. Twintig jaar later verandert het Oceanium nog altijd: nadat de Florida-Tunnel vervangen werd door een Australisch koraalrif en de Zee van Cortez omgetoverd werd tot Natuurbehoudscentrum, zal er in de komende jaren een aanbouw verrijzen aan de zuidgevel van het gebouw…

Foto’s (2x): Jim Louwerens (Diergaarde Blijdorp: voor het hele gezin een feest)

Noordzee: vriend of vijand?

Het Nederlandse duinlandschap is, voor Noordwest-Europese begrippen, een vreemde eend in de bijt. De kusten van Schotland, IJsland, Noorwegen, de Shetlandeilanden en de Faeröer worden immers gekenmerkt door enorme kliffen, waar de zee met veel gebulder tegen opbotst. Vooral wanneer het weer in het najaar steeds verraderlijker wordt, is dit onherbergzaam terrein – en tóch heeft het leven zich er weten te vestigen. Vele zeevogels weten maar al te goed dat de gladde klippen vrijwel onmogelijk te bereiken zijn voor landroofdieren, en zij nestelen dan ook in groten getale hier. Bass Rock, een rots voor de oostkust van Groot-Brittannië, vormt de inspiratie voor de vogelrots waar je je reis door het Oceanium begint. Eidereenden specialiseren zich in het bestaan in deze tumultueuze wateren, waarin eveneens goudbrasems rondzwemmen. De drieteenmeeuwen en zeekoeten nestelen direct op de hachelijke rotsrichels, in tegenstelling tot de papegaaiduikers, die het iets voorzichtiger aanpakken. Wanneer zij, na maanden op zee doorgebracht te hebben, voet aan wal zetten, graven ze van nature tunnels in het grasrijke heuvellandschap bovenaan de klif (in Blijdorp veelal links). De verschillende koppeltjes, die vaak jaren lang trouw blijven aan elkaar, kibbelen hevig om de veiligste nestlocaties: die in het hart van de kolonie.

Foto: Saskia Bokkers (BB-Facebook)

Foto: Sharon de Vink (BB-Facebook). Oorkwal.

Na Bass Rock is het tijd om onder water te duiken: hoewel de Noordzee weinig stille aanbidders heeft, zijn dit geen verlaten wateren. De bodembewonende steenslijmvissen begroeten binnenkomers vanuit het aquarium tegenover de entree en koornaarvisjes, een delicatesse voor menig zeevogel, bewonen een aquarium dat direct grenst aan het verblijf van hun aartsvijanden. De Noordzee is tevens het heenkomen van enkele middelgrote haaiensoorten: de gladde haai, de hondshaai en de kathaai. Met name die laatste twee soorten zijn nauw verwant en derhalve lastig van elkaar te onderscheiden. De schol is een platvis-soort: deze vissen proberen aan belagers te ontkomen door feilloos op te gaan in hun omgeving. Tenminste, dit van de eveneens in de Noordzee aanwezige kleinoog- en stekelroggen afgekeken trucje passen ze toe op latere leeftijd. Platvissen beginnen hun leven namelijk als niet zulke platte visjes: pas na zes weken verschuiven beide ogen naar één kant, waarna de vis voortaan op zijn zijkant zwemt. De horsmakreel, een steeds zeldzamere bedreigde diersoort, geniet eveneens enorme naamsbekendheid onder regelmatige viskar-gangers. Een andere echte scholenvis is de diklipharder, al is hun aanwezigheid op de voedselmarkt vele malen minder prominent. De kongeraal is een vissensoort die ook niet zo bekend is, maar deze hoofdzakelijk Mediterrane soort wordt wel degelijk van tijd tot tijd voor de Hollandse kust gespot. Net als hun verblijfsgenoten, de wrakbaarzen, hebben ze een sterke voorkeur voor een rotsige zeebodem. De baarzen in Blijdorp zijn nog jong, maar mettertijd zullen ze uitgroeien tot echte giganten. De zee is echter niet uitsluitend het domein van de vissen. De kwal is hier een prachtig voorbeeld van: al honderden miljoenen jaren, nog láng voordat vissen ten tonele verschenen, trekken ze vrijwel onveranderd door de oceaan.

Een bijzondere rol in het Noordzee-ecosysteem wordt gespeeld door de Europese steur. Deze vissen verschillen nauwelijks van hun fossiele voorouders, die ouder zijn dan de dinosaurussen. Als volwassenen, drie meter lang van kop tot staart, bewonen ze de West-Europese kustwateren, waar ze op schaaldieren jagen met hun baarddraden. Om zich voort te planten, migreren ze stroomopwaarts, naar de rivieren waar zij zelf een decennium eerder geboren zijn. Door de afnemende waterkwaliteit van de grote Europese rivieren, de grootschalige vraag naar kaviaar en bovendien het aanleggen van sluizen en stuwen verdween de steur in de vorige eeuw echter van het grootste deel van het continent, behalve uit de Garonne: een rivier die door het Franse Bordeaux stroomt. Deze populatie ligt ten grondslag aan pogingen die momenteel gaande zijn om deze kritiek bedreigde oervis elders te herintroduceren. In 2012 werden er voor het eerst steuren uitgezet in de Rijn door het WNF, ARK Natuurontwikkeling en Diergaarde Blijdorp, een coalitie die er in 2019 eveneens voor zorgde dat de Haringvlietsluizen weer op een kier zijn gezet.

Foto: Diergaarde Blijdorp (blijdorp.nl). Europese steur.

Atlantische Oceaan: de diepte in

Foto: Esmaralda den Daas (BB-Facebook). Verpleegsterhaai.

De Noordzee is met een oppervlakte van 500.000 vierkante kilometer zeker geen slootje, maar alsnog een tamelijk kleine zee. Het maakt onderdeel uit van een veel groter ecosysteem: het staat in directe verbinding met de Atlantische Oceaan, een gigantische zee met een oppervlakte van meer dan 100.000.000 vierkante kilometer. Vanuit de Haaientunnel kan je een glimp opvangen van wat zich in de diepte afspeelt en zoals de naam al verklapt, zijn hier enkele flinke roofvissen te vinden. De verpleegsterhaai is wellicht het gemakkelijkst te herkennen: in tegenstelling tot veel haaiensoorten kunnen zij zonder probleem tijdelijk neerstrijken op de zeebodem. Dat is vooral wat zij overdag doen: ’s nachts gebruiken ze hun hoogontwikkelde zintuigen om in het zand te zoeken naar kleine prooien. Haaien kunnen immers de kleine elektrische impulsen van het zenuwstelsel van hun prooi voelen en kunnen bloed op honderden meters afstand ruiken. Hoewel verpleegsterhaaien geen interesse tonen in mensen, zijn duikers maar al te vaak roekeloos rondom deze ogenschijnlijk rustige soort. Je voelt hem al aankomen: op de lijst van geregistreerde haaienbeten staan ze in de top vijf ‘schuldigen’. De andere inwonende soorten van dit bassin zijn zelf eerder slachtoffers: in de schimmige wereld der haaienvinnensoep bestaat er veel vraag naar zandbankhaaien, zwartpunthaaien en zwartsnuithaaien. Jaarlijks worden maar liefst 100 miljoen haaien gedood in totaal, meestal bestemd voor de Oost-Aziatische markten. Soms worden ter plekke alleen de vinnen afgesneden en wordt de haai, levend, maar niet langer in staat om zich voort te bewegen, simpelweg weer in zee gegooid om te stikken of te verhongeren. Data over populatietrends voor deze soorten is schaars, maar het feit dat haaien zich in regel vrij langzaam voortplanten, is tegenwoordig dus reden tot grote zorg.

Foto: John de Greef (BB-Facebook). Groene zeeschildpad.

Een ander icoon van dit bassin is de zeeschildpad. Er zijn er twee: Midas, een groene zeeschildpad, en Peddel, de karetschildpad. De groene zeeschildpad heeft een onfortuinlijke bijnaam: soepschildpad. Het doden van groene zeeschildpadden ter consumptie is vermoedelijk de grootste bedreiging voor deze diersoort, maar ze verdrinken ook vaak in visnetten of stikken op jonge leeftijd in plastic afval dat ze voor kwallen aanzien. Op latere leeftijd worden groene zeeschildpadden overigens strikte planteneters, in tegenstelling tot de kritiek bedreigde karetschildpad, die als enige zeeschildpad vooral op sponzen ‘jaagt’. Karetschildpadden worden niet zo groot als groene zeeschildpadden en hebben duidelijk overlappende schildplaten. Beide soorten delen veel van de obstakels die ze moeten overkomen voordat ze rond hun twintigste voor het eerst terugkeren naar hun geboortestrand om zich voort te planten. Op land zijn zeeschildpadden op hun kwetsbaarst en daar komt tegenwoordig nog eens bij kijken dat deze stranden vaak flink zijn veranderd in hun afwezigheid. Het veiligstellen van nesten behoort tot de meest effectieve beschermingsmethodes voor de zeeschildpad.

Foto: @lvwphotography_ (BB-Instagram). Valse haringen en een haai.

Vanuit de Haaientunnel zijn nog vele andere vissoorten te spotten. Tot de bodembewoners behoren de Europese pijlstaartrog en de (kritiek bedreigde) zwartkin-gitaarrog. De valse haringen scholen meestal direct onder hun voederapparaat in een spectaculaire formatie. Hoe deze groepen worden aangestuurd, wordt momenteel onderzocht in Diergaarde Blijdorp. Het scholen is een verdedigingstechniek, zodat roofvissen zoals de eveneens inwonende barracuda zich niet goed kunnen focussen op specifieke vissen. De zwarte tandbaars – die overigens eerder lichtgrijs is en weinig tanden heeft – is ook een roofvis, maar deze giganten weten dat ze niet snel genoeg zijn om de kleinere soorten bij te benen. In plaats daarvan hangen ze vrijwel roerloos in het water en slaan zij pas toe wanneer een prooi voor hun mond langs zwemt. Door water uit hun kieuwen te persen, kunnen ze een enorme zuigkracht creëren met hun mond. Tandbaarzen beginnen hun leven tweeslachtig, worden geslachtsrijpe vrouwtjes wanneer ze ongeveer 3 kilo wegen en gaan over tot mannetjes wanneer ze ongeveer 10 kilo zwaar zijn.

Foto: Greet van den Bergh (BB-Facebook). Zwarte tandbaars.

Wat zou er gebeuren als je in het wild zou afdalen in de oceaan? Tot 200 meter diep wemelt het van het leven: 90% van alle bekende mariene diersoorten foerageert hier, omdat zij afhankelijk zijn van het doordringen van zonlicht tot onderwaterplanten. Het klinkt best diep, 200 meter, maar dat is nog niet eens gelijk aan de hoogte van de Vaalserberg, de hoogste heuvel die het platte Nederland te bieden heeft. Het overgrote deel van onze desalniettemin gebrekkige kennis over de zee is afkomstig uit deze laag. Overdag migreert een flink deel van de vissoorten van het ondiepe naar de zone tussen de 200 en 300 meter onder het zeeoppervlak, waar slechts 1% van het zonlicht doordringt en ze dus relatief ongezien kunnen uitrusten. Voorbij de 1.000 meter diepte begint de eeuwige duisternis, met de soorten die zelf voor licht zorgen als enige uitzondering: bijvoorbeeld om te jagen of om te communiceren met soortgenoten. Het leven hier is vrijwel compleet afhankelijk van bevoorrading vanuit de hemel: dode organismen, uitwerpselen en verpulverde schelpen dalen neer in de vorm van ‘zeesneeuw’. Een expeditie naar deze diepte vergt al robuuster materieel dan een enkeltje naar het Internationale Ruimtestation. Na het passeren van het graf van de RMS Titanic, 3.500 meter diep, lijkt het leven zich in slow-motion af te spelen: voedsel is hier zo schaars, dat dieren zich grotendeels laten meevoeren door de stroming. Soorten zijn hier vaak transparant en ogen ontbreken veelal: alles wordt eraan gedaan om zo min mogelijk energie te verbruiken. De gemiddelde diepte van de Atlantische Oceaan is zo’n 4.000 meter: de bodem is bezaaid met samengeperste zeesneeuw die gegeten wordt door zeekomkommers en zeespinnen, met alleen onderwatervulkanen als echte afwisseling van het verder verlaten landschap. Rond deze vulkanen, waar de bizarre druk en temperatuur voor een zeer reactieve chemische cocktail zorgen, is het leven waarschijnlijk eens ontstaan. Via troggen kan je overigens nog minimaal twee keer zo diep komen in de Atlantische Oceaan, om over de 11.000 meter diepe Marianentrog in de Stille Oceaan nog maar te zwijgen.

Foto: Diergaarde Blijdorp (blijdorp.nl). Het haaienbassin bevat bijna de helft van de acht miljoen liter zeewater in het Oceanium.

Zeereservaat & Publiekslab

Foto: Diergaarde Blijdorp (blijdorp.nl)

Na eerdere bezoeken in 1960 en 2012, fotografeerde een wetenschapper in 2018 vanuit zijn onderzeeër iets opmerkelijks op de bodem van de Marianentrog: een plastic tasje. Ja, zelfs de minst verkende plek ter wereld ontkomt niet aan zwerfafval. Zoals inmiddels wel duidelijk zal zijn, richt de mensheid momenteel onomkeerbare schade aan in de oceaan. De Zeereservaat-Expositie presenteert twee verschillende invalshoeken van de kwestie: wanneer de lampen blauw kleuren, wordt een hoopvol verhaal vertelt. Er wordt een beeld geschetst van een wereld waarin overbevissing geen probleem is, doordat er beschermde gebieden en windmolenparken worden gerealiseerd waar vissers niet welkom zijn. Wanneer de lampen rood kleuren, confronteert de expositie ons met de huidige stand van zaken. De Noordzee dreigt immers in een onderwaterwoestijn te veranderen. Je vis-consumptie beperken tot producten met het MSC-keurmerk is al een goed begin, maar ook het MSC kent zo zijn valkuilen. Het is beter om zeedieren zoveel mogelijk uit je dieet te weren: gekweekte vis wordt immers ook vaak gevoerd met vismeel.

Foto: Jan van Keulen (BB-Facebook)

De Zeereservaat-Expo grenst aan het Publiekslab. Je krijgt er een kijkje achter de schermen: filtratiemethodes en voedselkweek worden uitgelegd. Ook is er een groot aquariumrek, waar een scala aan soorten huist. Veelal zijn deze diertjes (nog) te klein om hun mannetje te kunnen staan in de grotere bassins van het Oceanium. De anemoonvissen, die natuurlijk enorme naamsbekendheid genieten door de animatiefilm Finding Nemo, trekken altijd veel bekijks. Ook zijn er zeepaardjes te vinden. Bij dit vissengeslacht legt het vrouwtje de eitjes in de buidel van het mannetje, waar ze later uitkomen. Helaas verdwijnen er ieder jaar twintig miljoen zeepaardjes op de Chinese medicijnenmarkt. Ook wordt er in het Publiekslab aandacht besteed aan haaienvoortplanting. Zo zijn er vaak eieren van de kleinere Noordzee-soorten te zien, waarin je de kleintjes al kan zien bewegen. In 2015 vonden duikers lege eikapsels van de verpleegsterhaaien bij de Haaientunnel: vermoedelijk zijn deze kleintjes het slachtoffer geworden van een hongerige vis in dat aquarium. Nageslacht zou echter meer dan welkom zijn, dus mocht je twee parende haaien spotten, meldt dan de kleur van de tags op hun rugvin aan de vrijwilligers in het Publiekslab! In 2020 vestigde Blijdorp een mondiale primeur met de geboorte van een zwartsnuithaai.

Foto: Cor Exalto (BB-Facebook). Er bestaat een symbiotische relatie tussen de anemoonvis en een paar soorten zeeanemoon: de anemoon beschermt de vis tegen belagers met zijn giftige slierten, en de vis houdt de anemoon schoon.

Great Barrier Reef: de stille ramp

Foto: Rob van Eijk (BB-Facebook). De levende koralen in het Oceanium zullen er nog jaren over doen voordat ze écht stralen.

Het in 2016 gerenoveerde segment van het Oceanium dat de titel ‘Great Barrier Reef’ draagt, geeft een stukje van de gelijknamige ‘miljoenenstad’ voor de oostkust van Australië weer. Het welbekende koraalrif uit Oceanië is de grootste van zijn soort: niet alleen herbergt het vele diersoorten die nergens anders ter wereld voorkomen, maar een kwart van al het zeeleven is er direct van afhankelijk. Koraalriffen zijn naar schatting de enige plekken ter wereld met een hogere biodiversiteit dan het regenwoud, zelfs al nemen ze maar 1% van de zeebodem in beslag. Het Great Barrier Reef, dat ongeveer 350.000 km² beslaat, heeft zijn ecologische rijkdom te danken aan de microscopische poliepen waar koralen uit bestaan. De meeste koraalsoorten groeien slechts enkele centimeters (of minder) per jaar, wat betekent dat een koraalrif pas na duizenden jaren enige vorm aanneemt. Dit alles staat in schril contrast met het feit dat we in de afgelopen dertig jaar de helft van al het koraal van de wereld verloren zijn aan klimaatverandering en andere menselijke activiteiten. Het hogere CO₂-gehalte in de atmosfeer zorgt voor het dalen van de pH van de zee, sterkere stormen slaan hele gaten in het rif en bovendien vindt er verbleking plaats: al door een ogenschijnlijk insignificante stijging van de temperatuur en zeespiegel verliest het koraal zijn kleur en sterft het uiteindelijk af.

Foto: Arjen l’Amie (BB-Facebook). Jonge koffervis in het Publiekslab. // Foto bij koraal-tip: Sabine Buchholz (BB-Facebook). Eenhoornvis.

Rifbewonende vissen zijn echte stedelingen: ze moeten tegen een stootje kunnen. Neem de doktersvissen en eenhoornvissen: zij hebben aan beide kanten van hun staartvin een vlijmscherpe stekel. Ze kunnen bemoeizuchtige dieren ermee op afstand houden, maar gebruiken ze ook om zichzelf mee te verankeren tussen rotsen. De blauwgespikkelde pijlstaartroggen doen er nog een schepje bovenop. Soms richten ze de achterzijde van hun felgekleurde lichaam en hun staart op, haast als een pauwenstaart: pas op, ik ben giftig! De gele koffervis is juist wat banger voor conflict. Daarbij komt hun bijzonder hoekige lichaam van pas: deze is praktisch het tegenovergestelde van gestroomlijnd en daardoor vliegt de koffervis in feite zijn hele leven lang uit de bocht. Dit helpt hen gigantisch bij hun zigzaggende bestaan tussen koraal en rotsen door. De koffervis was overigens eveneens de inspiratie voor de Mercedes-Benz Bionic, toen dit bedrijf de aerodynamica van dit visje geheel verkeerd interpreteerde en abusievelijk een oncontroleerbare familieauto creëerde.

Een vis die zich in extreme mate heeft gespecialiseerd in het koraalrif-bestaan is de murene. Hun lichaamsbouw hebben ze als het ware afgekeken van de slangen: het stelt deze aalachtigen als geen ander in staat om tot de diepste kieren van het rif door te dringen. De slijmlaag op hun huid is giftig, maar dat is niet eens wat hen zo angstaanjagend maakt. Doordat murenen van nature met hinderlagen vanuit grotten jagen, kunnen ze geen goede zuigkracht creëren in hun keel om hun prooi mee naar binnen te zuigen. Dat is immers hoe vissen normaal gesproken slikken. Daarom hebben murenen een tweede paar kaken achterin hun keel: nadat ze een vis met hun normale tanden gegrepen hebben, schiet dit gebit naar voren om hem mee naar binnen te slepen. Oftewel: een beet van een murene is geen pretje. De drie meter lange reuzenmurene is net wat langer dan de eveneens inwonende gestippelde murene en grote netmurene. En ja: er leven ook murenes in de Middellandse Zee, maar meestal ontvluchten ze toeristenoorden.

Foto: Jw V Brenk (BB-Facebook)

In de wieg van het mangrovewoud

Foto: Erik Heikens (BB-Facebook)

Als het koraalrif het stadscentrum van de zee is, is de mangrove de suburb. Mangrovewouden zijn een unieke biotoop op de grens van zoet- en zoutwater, waar gespecialiseerde bomen zich boven de vloedlijn verheffen met hun steltachtige wortels. Die levende steunpilaren bevatten complexe filtersystemen waardoor deze planten in deze normaliter dodelijk omgeving kunnen gedijen en houden daarnaast sedimenten vast, waardoor er tijdens eb grote moddervlakten droogvallen. Niet alleen zijn mangrovebomen bijzonder geschikt voor het verplaatsen van CO2 uit de atmosfeer naar ondergrondse ‘opslag’ en spelen ze een belangrijke rol bij het tegenhouden van vloedgolven, maar de luwte van hun complexe wortelstructuren is ook uitermate aantrekkelijk voor jonge vissen. Des te verschrikkelijker is het feit dat mangrovewouden tot de snelst verdwijnende biotopen ter wereld behoren. Van nature behoren bruine egelvissen (‘ballonvissen’), zeesterren, doktersvissen, neerkijkers en mangrovekwallen tot de stamgasten, maar het is zeker niet ongebruikelijk om hier – zowel in Blijdorp als in het wild – zelfs kleine murenes, haaien en roggen te spotten.

Foto: Leo Brentjes (BB-Facebook).

Eén zo’n soort die speciaal naar mangrovegebieden migreert om zich voort te planten, is de koeneusrog. Ze zijn nauw verwant aan de adelaarsroggen: in tegenstelling tot bijvoorbeeld pijlstaartroggen zijn dit soort roggen niet zozeer aangepast om over de bodem te glijden, maar dankzij hun bouw kunnen ze flinken afstanden ‘vliegen’ door open water. De Rotterdamse dierentuin heeft een bijzondere relatie met hen: in 2010 werd hier namelijk een Europese primeur gevestigd met de geboorte van een koeneusrog! Deze kleine luidde een heuse geboortegolf in die tot op heden doorzet. Net als veel andere roggen vinden ze hun voornaamste kostje op de zeebodem. ’s Ochtends en ’s avonds, wanneer het zicht onderwater het best is, begeven ze zich naar ondiepe wateren. In kleine groepjes coördineren ze al zwemmende hun vleugelslagen om zoveel mogelijk verborgen schelpdieren ‘af te stoffen’. Met behulp van de twee huidflapjes rond hun mond zuigen ze die naar binnen, waar de schelpen verpulverd worden door hun bijzondere gebit. Hun kaken zijn zo hard als cement!

Foto: studio-evenaar.nl. Jonge degenkrab in het Publiekslab.

Een andere inwoner van dit gebied die het vermelden meer dan waard is, is de Atlantische degenkrab. Nee, dat zijn geen kreeftachtigen, maar een unieke spinnensoort! Het vergt geduld en geluk om ze te zien, maar er zit er wel degelijk nog eentje. Er zijn fossielen van 445 miljoen jaar oud gevonden die al sprekend lijken op het individu dat tegenwoordig in dit aquarium rondwandelt – dat is ongekend oud! Dat betekent dat degenkrabben maar liefst driekwart van de bestaansgeschiedenis der dieren (in de ruimste zin van het woord) hebben doorstaan. Onderdeel van hun kennelijk tijdloze overlevingsstrategie is hun blauwe bloed: zuurstoftransport vindt bij deze dieren niet plaats via hemoglobine, zoals dat bij zoogdieren het geval is, maar via het koper-bevattende hemocyanine, dat blauw kleurt als het zich aan zuurstof bindt. Hun bloed bevat ook stoffen die samenklonteren wanneer ze op een bacteriële infectie stuiten en degenkrabben worden dan ook gevangen om medische tests te maken. Dit draagt bij aan hun populatieafname, al is de vangst voor visaas een nog groter probleem. Dat, terwijl deze dieren zo’n belangrijke taak vervullen in het wild! Tijdens de paartijd komen ze ’s nachts in groten getale aan land. De branding neemt een groot deel van de pas gelegde eieren, soms wel 100.000 per vrouwtje, voor zijn rekening en keert zelfs ongelukkige degenkrabben ondersteboven. Dit ontbijtbuffet is van onschatbare waarde voor veel vogelsoorten.

Foto: John van Hagen (BB-Facebook)